CJO: Onderzoek vastgoedtransacties in oorlog
Het Centraal Joods Overleg wil dat er een onderzoek wordt gestart naar vastgoedtransacties in de Tweede Wereldoorlog. Uit een artikel in het Historisch Nieuwsblad blijkt dat vastgoed van gedeporteerde Joodse eigenaren in de oorlog is verkocht.
Makelaars streken volgens het artikel veel geld op bij de handel in geroofde joodse panden. Onder meer de Amsterdamse Bank en de gemeente Amsterdam zouden daarbij een rol hebben gespeeld als afnemer van de makelaars. Het gaat volgens het Historisch Nieuwsblad om naar schatting twintigduizend panden waarvan de waarde tegenwoordig 750 miljoen euro zou bedragen.
De panden werden via roofbank Lippmann Rosenthal, de Niederländische Grundstücksverwaltung en Nederlandse makelaars verhandeld voor circa 150 miljoen gulden (nu 750 miljoen euro). Het Parool noemt Johannes Everout als grootste 'roofmakelaar' in Amsterdam. Vanaf augustus 1941 waren Joden verplicht hun onroerend goed te laten registreren bij de Grundstückverwaltung die verantwoordelijk was voor de verkoop van de panden.
Het artikel is naar het oordeel van het CJO een eerste aanzet om een onderzoek te starten. Voor het indienen van schadeclaims biedt het in ieder geval nog onvoldoende grondslag. Ook is nog onduidelijk tegen wie de claim gericht moet worden. Een nader onderzoek van de vastgoeddossiers is nodig om de noodzakelijke duidelijkheid te verschaffen.
