Centraal Joods Overleg en Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog

Al vanaf de oprichting in 1997 hield het Centraal Joods Overleg Externe Belangen (CJO) zich intensief bezig met rechtsherstel van geroofd joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vereniging heeft zich daarbij in eerste instantie toegelegd op het instellen van onderzoeken op verschillende gebieden naar roof en manieren van restitutie van Joods bezit. Zo waren er de commissies Kordes, Scholten, Ekkart en van Kemenade.
Het CJO heeft vanaf eind jaren 90 begin 2000 intensief gesproken met de Nederlandse Overheid en veelal financiële instellingen over de teruggave van Joods bezit. Er werden in nauwe samenspraak met het CJO stichtingen opgericht voor individuele banken en effectenclaims, voor de verdeling van individuele- en collectieve gelden en werden Stichting Herkomst Gezocht en het Joods Humanitair Fonds opgericht.

In 1998 heeft Het CJO  Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims opgericht omdat er vanuit de joodse gemeenschap veel vragen waren over het indienen van claims. Het Centraal Meldpunt diende om claims te inventariseren.

Tot op de dag van vandaag houdt het Centraal Joods Overleg zich nog bezig met het proces van restitutie en verdeling.  Zo loopt er bij de Gemeente Amsterdam een vervolgonderzoek naar erfpacht en is er recentelijk een grote studie afgerond naar de Museale Verwervingen van ruim 400 musea in Nederland waar het Centraal Joods Overleg nauw bij betrokken is .

 

Erfpacht en Girotegoeden

Studente Charlotte van den Berg ontdekte in 2011 dat de Amsterdamse gemeente na de oorlog teruggekeerde Joden niet alleen aansloeg voor niet betaalde erfpachtcanon maar hen bovendien een renteboete oplegde wegens niet-tijdige betaling. Het ging in deze gevallen vaak om achterstand in de betaling van de erfpachtcanon die was ontstaan omdat de ‘oorlogsbeheerder’ of ‘oorlogskoper’ de canon niet had betaald.

Het onderzoek naar de erfpachtboetes is in opdracht van de gemeente Amsterdam uitgevoerd door het NIOD Instituut voor Oorlog-, Holocaust- en Genocidestudies. Het doel van het onderzoek was duidelijkheid te verschaffen over het handelen van de gemeente Amsterdam ten aanzien van teruggekeerde joodse burgers. De gemeente had zichzelf tot taak gesteld zo uitputtend mogelijk te onderzoeken of er nog financiële restituties nodig zijn.

Het Centraal Joods Overleg maakte deel uit van de klankbordgroep en was nauw bij het onderzoek betrokken.

Conclusies
Het NIOD berekende dat het totaal bedrag aan geïnde boetes bij benadering €820.000,- telt. Dit cijfer is een extrapolatie vanuit de aangetroffen bedragen in guldens naar een vermoedelijk totaal; het bedrag in guldens is omgerekend naar euro’s en vervolgens met rente op rente omgerekend naar 2014.

Het NIOD constateert verder dat de gemeente de juridische mogelijkheid had om de boetes kwijt te schelden. Andere gemeenten zoals Den Haag kozen daarvoor. Amsterdam besloot destijds de boetes te halveren.

Burgemeester Van der Laan: ‘Het NIOD-rapport laat zien: met de ogen van nu, maar ook met de ogen van toen is het door de gemeente aan oorlogsslachtoffers opleggen van erfpachtboetes formalistisch en ongepast.’

De gemeente Amsterdam heeft het onderzoek naar de Erfpachtkwestie in Amsterdam 1945-1960 openbaar gemaakt. Het NIOD heeft dit onderzoek in opdracht van de gemeente Amsterdam gedaan. Vind hier het bijbehorende persbericht van de gemeente Amsterdam en het volledige rapport.

Afhandeling
De Gemeente Amsterdam heeft toegezegd €870.000 terug te betalen aan erfpachtboetes en na de Tweede Wereldoorlog niet-opgevraagde Girotegoeden. Rechthebbenden krijgen de mogelijkheid het geld te claimen en een overblijvend deel wordt besteed aan een of meer Joods maatschappelijke doelen. Over de gang van zaken met betrekking tot de erfpachtcanon wordt vervolgonderzoek gedaan bij onder meer andere erfpachtgemeenten. Ook naar de manier waarop de gemeente na de Tweede Wereldoorlog is omgegaan met andere heffingen zoals straatgeld en rioolrecht wordt vervolgonderzoek gedaan.

Rechthebbenden of hun nazaten kunnen het geld claimen via de Stichting Individuele Terugbetalingen Amsterdam (stichting ITA). Alle informatie over de stichting, zoals informatie hoe een rechthebbende een aanvraag tot teruggave van een niet-opgevraagd tegoed en/of opgelegde erfpachtboete kan indienen, kunt u vinden op de website van de stichting www.stichtingita.com.

Niet-opgevraagde Girotegoeden
Het onderzoek naar de niet-opgevraagde Girotegoeden is in opdracht van de Gemeente Amsterdam uitgevoerd door de heer Blocks, oud-directeur van de Nederlandse Vereniging van Banken en vanuit die functie in 2000 betrokken bij de ‘Bankenovereenkomst’

Na de oorlog bleven Girorekeningen van omgekomen Joodse Amsterdammers met positief saldo openstaan. Het totaalbedrag van de tegoeden is volgens het rapport ‘Girodienst der Gemeente Amsterdam niet- opgevraagde tegoeden/Tweede Wereldoorlog’, uitgevoerd door de heer Blocks, vastgesteld op €51.000 (opgerent naar nu). Het gaat om bijna 900 rekeningen met overwegend kleine bedragen. Het is niet meer exact te achterhalen wat er gebeurd is met dit geld. Het is hoogstwaarschijnlijk dat het geld aan de gemeente Amsterdam ten goede is gekomen.

De Gemeentelijke Girodienst is via de Postcheque- en Girodienst en de Postbank overgegaan in de ING Bank. ING heeft de aanspraken van de individuele rekeninghouders overgenomen en zal de individuele aanspraken uitbetalen in lijn met de vaststellingsovereenkomst uit 2000 die met de Nederlandse banken is overeengekomen. Conform deze overeenkomst zal ING zich daarbij niet op verjaring beroepen. Daarnaast wil de gemeente het bedrag dat ten onrechte aan haar ten goede is gekomen, en niet aan individuele gerechtigden kan worden gerestitueerd, besteden aan een of meer Joods maatschappelijke doelen.

De gemeente heeft de namenlijst van voormalig rekeninghouders van de Gemeentegiro waarvan een niet-opgevraagd tegoed is teruggevonden en de namenlijst inzake de erfpachtboetes op haar website gepubliceerd www.amsterdam.nl.

 

Onderzoek naar geroofd Joods onroerend goed

In 2013 gaf het Centraal Joods Overleg opdracht tot het doen van onderzoek naar onteigend Joods onroerend goed. Het onderzoek werd uitgevoerd en mede gefinancierd in nauwe samenwerking met Stichting Platform Israel (SPI).

De vraag of Joods onteigend onroerend goed behoorlijk is gerestitueerd, is niet beantwoord bij eerdere grote onderzoeken die in het kader van restitutie hebben plaatsgevonden. De restitutie in de naoorlogse jaren heeft niet plaatsgevonden met behulp van een lijst met álle onteigende onroerende goederen, maar op basis van wat de (erfgenamen van) de oorspronkelijke eigenaren aan individueel onteigend onroerend goed claimden.  In het Nationaal Archief ligt een verzameling  Grundstuck-boeken , waarin in beginsel alle onteigende goederen zijn geregistreerd. Deze boeken zijn weliswaar niet meer volledig, maar zijn ook in hun onvolledigheid nooit grondslag geweest voor onderzoek.

 Vraagstelling en Conclusies
Een van de vragen waarop antwoord is gezocht is of volledig of in hoeverre onvolledig restitutie heeft plaatsgevonden van alle onteigende onroerende goederen. Daarnaast werd de vraag gesteld in hoeverre dit naar billijkheid heeft plaatsgevonden. Als belangrijkste conclusies worden genoemd:

  • Bij de meerderheid van de casussen in de steekproef heeft ‘administratief rechtsherstel’ plaatsgevonden.
  • Rechtsherstel bij huizen betekent dat de percelen zijn teruggegeven
  • Rechtsherstel bij de landbouwgronden betekent dat deze in ca drie kwart van de gevallen zijn teruggegeven en dat er in bijna een kwart van de gevallen sprake was van een vervangende regeling.
  • Bij de landbouwgronden en huizen zien we ongeveer dezelfde mate van geen rechtsherstel. (bij huizen iets meer dan 1%, bij landbouwgronden bijna 2 %)

Het onderzoek ‘Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd joods onroerend goed. Inzicht in een Administratief Proces van Maarten-Jan Vos en Serge ter Braake is uitgegeven bij uitgeverij Boom Amsterdam.

 

Uit: Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van Geroofd Joods Onroerend goed door Maarten-Jan Vos en Serge ter Braake  p. 98, ‘De belangrijkste conclusies van dit onderzoek zijn’.

 

Stichting Collectieve Maror-gelden

Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland (COM) verstrekt uit de Maror-gelden  projectsubsidies voor collectieve doelen binnen de Joodse gemeenschap in Nederland. Het woord maror betekent het bittere kruid, mierik, en herinnert aan bittere tijden. Daarnaast vormt maror een afkorting van Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel. Het rechtsherstel in Nederland na de Tweede Wereldoorlog was gebrekkig. Financiële instellingen hielden bovendien joodse gelden achter. Uitvoerige besprekingen met de Nederlandse overheid, verzekeraars, banken en effectenbeurs leidden in de jaren 1999-2000 tot overeenkomsten betreffende restitutiebetalingen. De akkoorden met deze partijen betekenden voor de Joodse gemeenschap dat alsnog de morele aanspraken van de Nederlandse Joden op deze tegoeden werden erkend.

 

Joodse Oorlogstegoeden

Nagenoeg vanaf de oprichting heeft het Centraal Joods Overleg zich ingespannen voor de teruggave en de verdeling van Joodse oorlogstegoeden. Deze werkzaamheden duren tot op heden voort.

In 1999 en 2000 werden akkoorden bereikt met de Nederlandse Overheid, banken, beurs en verzekeraars. Naast erkenning van gemaakte fouten in het naoorlogse beleid resulteerden de overeenkomsten in de teruggave van fl. 764,12 miljoen (€ 364,74 miljoen). Bij alle onderhandelingen werd door het CJO het uitgangspunt gehanteerd dat er uitsluitend over restitutie van Nederlands Joods bezit gesproken kon worden, en niet over vergoedingen voor het tijdens en na de oorlog veroorzaakte leed. Hoewel het CJO het niet als zijn taak ziet de gelden zelf te verdelen, draagt het CJO wel verantwoording voor een correcte uitvoering van de overeenkomsten.

Individuele uitkeringen
Ruim fl. 352 miljoen (€ 159,7 miljoen) is tussen december 2000 en februari 2002 in de eerste ronde voor individuele uitkeringen verdeeld onder Joodse oorlogsoverlevenden en hun plaatsvervangers. Deze verdeling wordt uitgevoerd door het Bureau Maror-gelden. In mei 2002 werd het restant uit de eerste ronde verdeeld in een tweede ronde.

Collectieve gelden
Een ander deel van de gerestitueerde gelden, minimaal tien en maximaal twintig procent van het bedrag dat naar individuen ging, kwam ten goede aan collectieve doelen t.b.v. de Nederlands Joodse gemeenschappen in Nederland en Israel. Het CJO en het Platform Israel hebben afgesproken dat van deze beschikbare gelden 74 procent in Nederland bleef en 26 procent naar Israel zou gaan.

De verdeling van de collectieve tegoeden wordt momenteel nog uitgevoerd door de Stichting Collectieve Maror-gelden (COM). Het Bureau Maror-gelden is het uitvoeringsbureau van de COM en heeft ook de functie van helpdesk voor de aanvragers.

Joods Humanitair Fonds
Met de Nederlandse regering werd afgesproken dat een bedrag van fl. 50 miljoen (€ 22,69 miljoen) in een fonds werd voor Joodse en niet-Joodse humanitaire projecten in het buitenland. Dat Fonds is het Joods Humanitair Fonds.

 

 

Gettopensioen en gettofonds

Het Gettopensioen is een Duits pensioen voor voormalige werkers in een getto. De stad Amsterdam wordt  in de periode 15 september 1941 – 30 september 1943 als getto gezien. In Duitsland kan dit pensioen bij de Deutsche Rentenversicherung (DRV) in Berlijn worden aangevraagd.

U kunt een aanvraag indienen, wanneer u voldoet aan de volgende criteria:

  • U bent Joods.
  • U was op 15 september 1941 ouder dan drie jaar.
  • U verbleef in de genoemde periode in de stad Amsterdam.
  • U heeft werk verricht zonder dwang, waarbij het begrip werk in de meest ruime zin wordt geïnterpreteerd.
  • U ontving voor dit werk enige vorm van vergoeding, dit kan bijvoorbeeld ook eten zijn. De hoogte van de vergoeding is niet relevant. Het is ook niet relevant of de vergoeding aan u zelf rechtstreeks werd uitbetaald of aan derden (bijvoorbeeld, in geval van werkzaamheden voor de Joodse Raad, aan de Joodse Raad)

Wanneer u een weduwe/weduwnaar bent van iemand die aan bovenstaande criteria voldoet, kunt u tevens een aanvraag indienen. Het is dus niet noodzakelijk dat de weduwe/weduwnaar zelf aan de criteria voldoet.

Het Gettofonds is een Duits fonds dat een eenmalig bedrag van € 2.000,00 toekent aan Joodse vervolgingsslachtoffers die tijdens de oorlog in een getto verbleven en niet gedwongen werkten. Sinds kort wordt een deel van de stad Amsterdam, in de periode van 15 september 1941 tot en met 30 september 1943, als getto erkend. Dit betekent dat iedereen die in deze periode in dat deel van de stad verbleef en niet gedwongen werk verrichtte, een aanvraag kan indienen bij het Gettofonds.

U kunt een aanvraag indienen, wanneer u voldoet aan de volgende criteria:

  • U woonde of verbleef (tijdelijk of permanent) in de periode van 15 september 1941 tot en met 30 september 1943 in Amsterdam.
  • U hoeft niet de gehele periode in Amsterdam te hebben gewoond, het kan ook een gedeelte van deze periode zijn.
  • U heeft in deze periode– zonder dat u daartoe gedwongen werd – werk verricht.

Het maakt dus niet uit welk werk gedaan is, als het maar zonder dwang was.

Hulp
Voor hulp bij het aanvragen van een pensioen of uitkering kunt u contact opnemen met het Joods Maatschappelijk Werk

 

Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa

De Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa is op 9 november 1999 opgericht in het kader van de overeenkomst van 9 november 1999 tussen het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars over de afwikkeling van oorlogstegoeden. Het doel van de Stichting is na te gaan in hoeverre iemand aanspraak heeft op een betaling uit een verzekering van een door de oorlog getroffen verzekerde die vervolgd is vanwege zijn of haar Joods-zijn. Deze verzekering moet zijn afgesloten (geweest) bij een verzekeraar die lid is van het Verbond van verzekeraars. In het verlengde hiervan is het doel van de Stichting om – afhankelijk van de beoordeling door het bestuur – iemand een uitkering toe te kennen.

Voor het claimen op niet-uitgekeerde verzekeringspolissen kunt u terecht bij de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa.

 

Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa

De Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa werd eind december 2001 opgericht. Deze Stichting heeft claims behandeld voor niet-uitbetaalde schadevergoedingen voor effecten. Tevens kon men claims indienen voor het in rekening brengen van opengebroken bankkluisjes en claims die betrekking hadden op de zogenaamde Puttkammerlijst. Aanvragen konden worden ingediend tot 31 december 2002. Onder voorwaarden konden claims met betrekking tot vergoeding van de in rekening gebrachte kosten voor het openbreken van safeloketten tot 1 november 2003 bij de Stichting worden ingediend.

Geroofde Kunst

Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK)
Duizenden kunstvoorwerpen zijn in de Tweede Wereldoorlog in Duitsland terechtgekomen, hetzij door verkoop, hetzij door roof of confiscatie. Na de oorlog heeft de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) namens de Nederlandse Staat een deel van de teruggehaalde kunstvoorwerpen aan de rechtmatige eigenaren teruggegeven. Desondanks bevond een aantal kunstwerken zich nog steeds onder beheer van het Rijk. Dit vormt de Nederlands Kunstbezitcollectie (NK-collectie).

Herkomst Gezocht
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gaf in oktober 1997 de Commissie Ekkart opdracht een proefonderzoek naar de herkomst van een selectie van kunstvoorwerpen uit deze NK-collectie te doen.
Daarna is in opdracht van diezelfde commissie en onder organisatorische verantwoordelijkheid van de Inspectie Cultuurbezit op 1 september 1998 het projectbureau Herkomst Gezocht opgericht met een belangrijke taak: het onderzoek naar de oorspronkelijke eigenaren van de kunstvoorwerpen uit de NK-collectie, voor zover dat, ruim 50 jaar na het einde van de oorlog, nog mogelijk was.

Onderzoek Museale Verwervingen vanaf 1933
De Nederlandse musea werden in 2009 door de Museumvereniging gevraagd de herkomstgeschiedenis van hun collecties te onderzoeken. Het doel was te komen tot een inventarisatie van voorwerpen, waarvan de herkomstgeschiedenis verwijst naar roof, confiscatie, gedwongen verkoop of naar andere verdachte omstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf 1933 tot en met het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoek Museale Verwervingen vanaf 1933 richt zich uitsluitend op kunstvoorwerpen en joodse rituele objecten in de Nederlandse musea. Het onderzoek is een vervolg op het museumonderzoek Museale Verwervingen 1940-1948, dat de Nederlandse Museumvereniging in 1998-1999 door haar leden liet uitvoeren. De kunstwerken waarover het vermoeden bestaat dat deze tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn geroofd, onder dwang zijn verkocht of onrechtmatig zijn verhandeld zijn gepubliceerd op www.musealeverwervingen.nl

Oorspronkelijke eigenaar
Indien aannemelijk is dat een kunstwerk door roof, confiscatie of gedwongen verkoop uit de collectie van de oorspronkelijke eigenaar is geraakt, tracht het museum in contact te treden met familieleden of erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar en met hen tot een goede oplossing te komen. Als de erfgenamen een claim willen leggen op het kunstwerk, dan kunnen musea en erfgenamen gezamenlijk besluiten de zaak aan de Restitutiecommissie voor te leggen voor bindend advies. Betreft het een voorwerp in Rijksbezit, dan kunnen familieleden of erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar een schriftelijk verzoek tot restitutie indienen bij de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW).

De Restitutiecommissie, een onafhankelijke adviescommissie, werd in 2002 door de Nederlandse regering ingesteld ten behoeve van een onafhankelijke beoordeling van aanspraken op kunstvoorwerpen die als direct gevolg van het naziregime, onvrijwillig waren verloren.