De banalisering van de Holocaust

Onderstaand opiniestuk werd namens het CJO aangeboden aan het NRC en de Volkskrant maar niet geplaatst. 

 

De situatie in de Griekse vluchtelingenkampen is gelijk aan de concentratiekampen. Wat er in de bio-industrie gebeurt is een Hedendaagse Holocaust. Trump en Wilders zijn de Hitlers van deze tijd.

Wanneer opiniemakers duidelijk willen maken  hoe  kwalijk iets of iemand is, is het tegenwoordig   gangbaar om je te bedienen van wat in de volksmond een godwinnetje wordt genoemd; de Holocaust wordt erbij gehaald.  Zo sloeg deze week een raadslid uit Oldenbroek een uitnodiging voor een debat over de islam af vanwege ‘de gele ster sfeer’ van de poster. En dan spreken we nog niet eens over de schandalige, en volgens de werkdefinitie van de Europese Unie antisemitische, wijze waarop criticasters van Israël het beleid van de Israëlische overheid regelmatig gelijk stellen aan dat van de nazi’s.

Nog afgezien van de vraag of dergelijke vergelijkingen het beoogde effect hebben  – ze komen veelal over als een kleuter die stampvoetend zijn  gelijk wil krijgen- gaan ze natuurlijk volledig mank. Hoe schrijnend de situatie van sommige vluchtelingen ook moge zijn, er is geen beleid om ze uit te roeien. Noch worden vluchtelingen systematisch van hun bezittingen beroofd of hun identiteit vervangen door een getatoeëerd kampnummer. Natuurlijk mag je vraagtekens zetten bij de goede smaak van een poster met de afbeelding van een bom voor een discussieavond over de islam. Dat is echter zo fundamenteel anders dan het openbaar identificeren en uitsluiten van een bevolkingsgroep als opmaat voor deportaties en uitroeiing, dat de vergelijking niet alleen niet opgaat maar ook belachelijk, absurd en kwetsend is.

Natuurlijk kun je alles met alles  vergelijken, maar het is ook belangrijk om stil te staan bij de lading en connotatie van vergelijkingen. De vaststelling dat Hitler vegetariër was is feitelijk correct. Toch is het logisch dat iemand als Marianne Thieme er niet van gediend zal zijn met Hitler vergeleken te worden.

Dergelijke vergelijkingen overdrijven niet alleen hedendaagse problematiek, ze  bagatelliseren tegelijkertijd het gruwelijke en unieke karakter van de Holocaust. Een fatsoenlijk mens denkt wel twee keer na voordat hij een Godwin poneert.

Terwijl de Holocaustvergelijkingen ons in deze maand van herdenken om de oren vlogen,  laaide, schijnbaar ongerelateerd, de discussie weer op wie en wat er precies tijdens de Nationale Dodenherdenking herdacht dient te worden. Waar deze zich aanvankelijk richtte op de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, wordt intussen ook bij de Nederlandse slachtoffers van oorlogssituaties en vredesmissies stilgestaan. Als het aan sommigen ligt wordt dit in de toekomst nog veel verder opgerekt.    Zo  blijkt een Dordts museum  in  de lijst ter nagedachtenis aan de lokale oorlogsslachtoffers  ook de namen van SS-ers opgenomen te hebben. Zowel de vaststelling dat deze slachtoffers mede verantwoordelijk waren voor de 203 vermoordde Dordtse Joden die ook op de lijst staan als de kritiek vanuit lokale Joodse organisaties, bleken onvoldoende aanleiding om nog eens goed naar de gepastheid van deze lijst te kijken.

Natuurlijk staat het iedereen vrij om te herdenken wie en wat hij wil. Het Centraal Joods Overleg is echter van mening dat wanneer slachtoffers, daders, Nederlanders en buitenlanders allemaal op één hoop worden gegooid, er een ongewenste verloedering  plaatsvindt. Zoals het CJO zich in het verleden krachtig heeft uitgesproken tegen deze nivellering van de Nationale Dodenherdenking,  zal ze dat in de toekomst zeker blijven doen.

Deze twee ontwikkelingen hebben één ding gemeen. Beide lijken vooral een trivialisering van een vreselijke episode in de recente  geschiedenis voor goedkoop, emotioneel gewin en getuigen daarmee van weinig fatsoen. Een beetje zelfbeheersing, wellicht door ook hier even twee minuten stil te staan voordat men tot actie overgaat,  zou op zijn plaats zijn.

Reactie CJO op commotie Nationale Dodenherdenking

Zo zeker als het is dat er op 4 mei om acht uur 2 minuten stilte in acht wordt genomen, zo zeker lijkt het dat diezelfde dodenherdenking gepaard gaat met een jaarlijks relletje.  Zo is er dit jaar het plan van Rikko Voorberg om, juist op deze dag,  met behulp van 3000 papieren kruisen stil te staan bij de vluchtelingen die onderweg naar Europa het leven lieten.  Sinds Voorberg met dit op het eerste gezicht sympathieke voorstel kwam, is in Nederland de discussie over wat er wel en niet herdacht dient te worden weer flink opgelaaid.

Hoewel het Centraal Joods Overleg een overtuigd  tegenstander is van de nivellering van de Nationale Dodenherdenking, hebben wij er in eerste instantie bewust voor gekozen in deze kwestie niet naar buiten te treden. Ook al zijn er 364 dagen dat  Voorbergs  initiatief niet zou neerkomen op smakeloos en opportunistische misbruik  van de Nationale Dodenherdenking.  Er is nota bene op 20 juni een Internationale Dag van de Vluchteling!

De reden dat wij niet naar buiten zijn getreden, is dat, hoe ongepast het voornemen van Voorberg ook moge zijn, hij hier niemand kwaad mee doet noch anderen belet om op hun manier te herdenken.  Als de heer Voorberg ervoor kiest om om acht uur de merendeels Islamitische omgekomen vluchtelingen te herdenken middels 3000 Christelijke symbolen, is dat zijn goed recht. Ook dat is onderdeel van de vrijheid waar we in deze dagen bij stilstaan en waar menig held zijn leven voor heeft gegeven.

Het Centraal Joods Overleg betreurt het dan ook dat er de afgelopen dagen diverse personen en organisaties zich impliciet hebben opgeworpen als een soort spreekbuis voor Joods Nederland om dit initiatief te veroordelen en zelfs op te roepen tot een verbod. Uitsluitend het CJO heeft het mandaat om namens georganiseerd Joods Nederland te spreken, terwijl deze personen en organisaties dat niet hebben. Het staat  Voorberg vrij – hoe ondoordacht en verward ook-  te herdenken zoals hij dat wil zolang dit andere herdenkingen niet verstoort. Het CJO had liever gezien dat anderen het voortouw in deze futiele kwestie hadden genomen en commentaar vanuit Joodse hoek achterwege was gebleven.

Waar antizionisme overgaat in antisemitisme

onderstaand artikel heeft het CJO, op uitnodiging van Joop.nl geschreven. Het werd op op 29 april geplaatst

 

Dus je wilt iets zeggen over Israël? Dan is de kans groot dat, ongeacht wat je te zeggen hebt, je dit niet in dank wordt afgenomen. Waar voor de één bedenkingen bij het beleid van Netanyahu voldoende  zijn om van antisemitisme te spreken, meent een ander dat er niets mis is om tijdens een demonstratie tal van klassieke antisemitische vooroordelen van stal te halen, te projecteren op Israël om vervolgens te eindigen met “fuck de Talmoed’.[1]

Dat de waarheid ergens in het midden ligt moge duidelijk zijn. Toch rest de vraag waar je redelijkerwijs kunt stellen dat antizionisme overgaat in antisemitisme. De standaard  die wij hiervoor willen aandragen is  de zogenaamde 3 D-norm; demonisation, double standards en delegitimazation zoals beschreven door Natan Sharansky.[2]

Van de eerste D, demonisering, is sprake wanneer het beleid van Israël buiten alle proporties hard beoordeeld wordt. Zo is het onder criticasters van Israël niet ongebruikelijk om het beleid te vergelijken met de wandaden van de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor eenieder met een greintje historische kennis is het klip en klaar dat elke vergelijking tussen het optreden van Israël en de systematische, van overheidswege georganiseerde moord op  zes miljoen mensen, volledig mank gaat en een klap in het gezicht is van ieder weldenkend mens. De Europese Unie gaat hier in mee. Hun werkdefinitie, die door 31 landen gehanteerd wordt, stelt (onder andere) dat er sprake is van antisemitisme wanneer het hedendaags beleid in Israël wordt vergeleken met dat van de nazi’s. [3] Lees Verder →

Brief aan burgemeester Aboutaleb na aanleiding van “Hamasconferentie’

Aan Burgemeester Ir. A. Aboutaleb

Voorzitter van het College van B&W te Rotterdam

Rotterdam, 31 januari 2017.

 

Geachte Burgemeester,

Donderdag aanstaande zal in de Gemeenteraad een debat plaatsvinden over de “Palestinian in Europe Conference” die in onze Doelen op 15 april 2017 zal worden gehouden.

Ondergetekende maakt zich mede namens lokale en nationale joodse kerkgenootschappen ernstig zorgen over toenemend antisemitisme in ons land en dus ook in Rotterdam. Blanke autochtone Nederlanders laten zich steeds meer openlijk antisemitisch uit. Onlangs vernam ik onder meer uit de eerste hand dat een joodse docent bij een Rotterdamse onderwijs-instelling ernstig wordt gediscrimineerd door witte Nederlandse collega’s en dat deze persoon dit niet aanhangig durft te maken uit angst voor ontslag. De indruk is ontstaan dat het uiten van openlijke haat naar Moslims een vrijbrief is om zich ook antisemitisch te uiten. Antisemitisme, zo weet men, is niet weggeweest maar openlijk bedrijven hiervan is een opkomend fenomeen. Zowel moslimhaat als jodenhaat bedreigen onze maatschappij.

Reactie CJO op de antisemitische spreekkoren bij FC Utrecht

Het Centraal Joods Overleg (CJO) heeft met  weerzin kennis genomen van de antisemitische uitingen door een deel van de (vermeende) supporters van FC Utrecht.

In een tijd waarin de campagne ‘Voetbal is van iedereen, zet een streep door discriminatie’ gelanceerd werd, het aantal antisemitische incidenten in Nederland toeneemt en antisemitische spreekkoren uitwaaieren naar andere segmenten van de samenleving, betreuren wij dat de scheidsrechter niet adequaat heeft ingegrepen. Niettemin hebben wij er vertrouwen in dat de KNVB en de openbare aanklager zowel nu als in de toekomst er alles aan doen om hun vorig jaar aangekondigde beleid van snel en kordaat optreden bij discriminerende spreekkoren gevolg te geven.

Het CJO waardeert de wijze waarop de clubleiding van FC Utrecht afstand heeft genomen van deze uitingen maar is verbaasd over de verontwaardigde reactie van de supporters van FC Utrecht.  In plaats van de spreekkoren te veroordelen en excuses aan te bieden, wordt naar anderen gewezen. Net zomin als een inbreker zich ter  verdediging kan beroepen op andere niet bestrafte inbraken, ontslaan kwetsende spreekkoren door andere supporters de fans van FC Utrecht niet van de eigen verantwoordelijkheid. Zeker gezien de geschiedenis met antisemitische incidenten had het de supporters gesierd als ze de hand in eigen boezem hadden gestoken.

Het CJO is dan ook verbaasd  over de wijze waarop de NOS afstand heeft genomen van haar berichtgeving. De genoemde context van Ajacieden die zich als Joods profileren mag nooit als vrijbrief gezien worden om je antisemitisch te uiten. Wat ons betreft is er dan ook slechts sprake van selectieve verontwaardiging bij de wijze waarop een deel van de supporters slechts naar anderen wijzen.

Het CJO zal zich blijven inzetten om een einde te maken aan antisemitische, discriminerende en andere ongewenste uitingen tijdens voetbalwedstrijden.

Toespraak van minister president Mark Rutte bij de herdenking van Kristallnacht, Portugese synagoge Amsterdam, 9 november 2016

IMG_0138.01

‘10 november 1938.
Gisteren stonden de synagogen in brand.
Ze stonden in brand in Duitsland.
Ze stonden in brand in Oostenrijk.
Ze stonden in brand in Tsjecho-Slowakije. (…)
Overal op straat lagen verscheurde gebedenboeken, Torarollen en gebedssjaals. (…)
Nooit meer zal het orgel onze liederen op Shabbat begeleiden.
Er zal geen Shabbat meer zijn, geen heilige dagen, geen liederen.
Alleen thuis – als er nog een thuis is – zal moeder op vrijdagavond de kaarsen ontsteken en vader zal het dankgebed uitspreken voor brood en wijn.’

Dames en heren,

Op 23 september van dit jaar overleed in München op hoge leeftijd Max Mannheimer, holocaustoverlevende en decennialang een boegbeeld van de strijd tegen het antisemitisme.
De regels die ik net citeerde, komen uit zijn Spätes Tagebuch.
Er spreekt een schurend gevoel van verlatenheid uit, dat 78 jaar later nog altijd pijn doet.
Alleen al die woorden: ‘Er zal geen Shabbat meer zijn.’
Met de synagoge, stond ook  de toekomst in brand.
Met het brekende glas van Kristallnacht, brak ook een wereldbeeld.

De nacht van  9 op 10 november 1938 markeert een omslagpunt in de geschiedenis van de Jodenvervolging.
Het laatste flinterdunne restje terughoudendheid dat er nog was, werd definitief afgeworpen.
Openlijk geweld tegen Joden was vanaf dat moment toegestaan –  werd zelfs toegejuicht.
Rechteloosheid werd de nieuwe norm.
De ‘moord met voorbedachte rade’, zoals Presser de holocaust noemde, kon beginnen.

Kristallnacht was een omslagpunt, maar geen beginpunt.
Het sluipende antisemitische gif kreeg al eerder zijn funeste uitwerking.
In beroepsverboden, in de rassenwetten van Neurenberg, in maatschappelijke uitsluiting.
Stap voor stap werd een hele bevolkingsgroep ontmenselijkt, naar de rand van de samenleving gedwongen en uiteindelijk massaal vervolgd en in koelen bloede vermoord.

Het blijft nauwelijks te bevatten: hoe kon zo’n groot, zo’n onzegbaar kwaad ontstaan in een cultuur die ook Beethoven en Heinrich Böll voortbracht?
Verklaren kunnen we het misschien, want in de Europese geschiedenis lag antisemitisme altijd vlak onder de oppervlakte.
Maar begrijpen kunnen we het nooit.

Het absurde is ook niet te begrijpen.
Hoe beschaving en humaniteit in een mum van tijd konden verdwijnen.
Hoe ogenschijnlijk gewone mensen konden veranderen in beulen en moordenaars.
En hoe onmenselijk wreed het lot was dat de Joodse bevolking in Europa trof.
Daar houdt het verstand op en resteren alleen stilte en verbijstering.

En wij weten achteraf: de Kristallnacht is ook buiten Duitsland een nacht van schaamte.
Want hoewel de internationale verontwaardiging groot was, bleef de praktische hulp en steun beperkt.
Ook vanuit ons land was die mondjesmaat.
De realiteit is: veel Duitse Joden zochten na november 1938 een uitweg, slechts weinigen werd die geboden.
En wij, die de afloop van de geschiedenis kennen, wij buigen ons hoofd.

Op 10 november 1938, was Max Mannheimer 18 jaar oud.
Hij zette zijn lange en veelbewogen leven in het teken van de herinnering aan de gruwelijkheden, die aan bijna al zijn familieleden het leven kostten.
Zijn broer en hijzelf overleefden de kampen ternauwernood.
Die herinnering levend houden, om nieuwe gruwelijkheden te voorkomen – dat beschouwde hij als zijn opdracht.
En het is ook onze opdracht.

Door te herdenken, bewijzen wij eer aan de slachtoffers van toen.
Maar we spreken ook uit dat we waakzaam zijn in het hier en nu.
Tegen het antisemitisme, dat nog altijd vlak onder de oppervlakte ligt.
Tegen discriminatie en uitsluiting van bevolkingsgroepen.
Tegen onverdraagzaamheid.

Dat is een voortdurende strijd, die we moeten blijven voeren.
Want, helaas, ze zijn er: de spreekkoren in het voetbalstadion, de synagoges die worden beklad met anti-Joodse leuzen, de dreigementen tegen Joodse organisaties en mensen met een keppeltje op hun hoofd.
Kristallnacht waarschuwt ons: we mogen het nooit gewoon gaan vinden.
Want in het kleine en gewone, in de gewenning aan steeds een stap verder, daarin schuilt het grootste kwaad.
En dus blijven wij ons verweren.
We blijven ons hardop uitspreken.
En we blijven het verleden herdenken – om de toekomst te bewaken.

Dames en heren,

Deze markante synagoge, die door de eeuwen heen elke storm doorstond – zelfs de allerergste – bewijst dat het goede, het ware, het echte uiteindelijk krachtiger is dan het kwaad.
En die hoopvolle boodschap klinkt ook door in de nagelaten aantekeningen van Max Mannheimer.
Ik citeer hem nog één keer, 10 november 1938.

‘Ze smeten de gebedenboeken, de Torarollen en de sjaals uit de synagoge op straat.
En morgen kunnen ze die ook uit onze huizen gooien.
En toch, voor mijn moeder zou dat niets veranderen.
Zij kan de teksten uit haar hoofd opzeggen.’

Dames en heren, wat in het hart van mensen zit, is sterker dan blinde haat.
Dank u wel.

Toespraak Ron van der Wieken tijdens de Kristallnachtherdenking

IMG_0185.01

Geachte aanwezigen,

Vanavond herdenken wij de Kristallnacht. Op 9 november 1938, precies 78 jaar geleden vond iets gruwelijks plaats, een pogrom in heel Duitsland met veel doden en gewonden en enorme schade. Die nacht ontdeed Nazi-Duitsland zich van zijn masker en maakte het, openlijk en onbeschaamd, een begin met de vernietigingsoorlog tegen de Joden. Gewone, gezagsgetrouwe burgers, onvoorbereid en onbewapend en meestal weerloos. Vluchten was vrijwel onmogelijk, ook doordat bijna geen land ter wereld Joden wilde opnemen. Ook Nederland niet. Velen hadden kunnen overleven, hun leven kunnen uitleven, in plaats van slachtoffer te worden van één van de allergrootste massamoorden in de geschiedenis van de mensheid. Als er toen een vrije en onafhankelijke Joodse staat was geweest.  Als Israël toen had bestaan.

Maar dat was niet zo, en de afloop is u allen bekend.

Het is vandaag 78 jaar geleden. Een mensenleeftijd. De vraag rijst: moeten we dit zolang nadien nog herdenken? De wereld heeft sindsdien zoveel andere catastrofes gezien; waarom is er nog steeds een Kristallnachtherdenking nodig?

Er zijn twee elkaar aanvullende antwoorden. Het eerste antwoord is dat de Kristallnacht glashelder aantoont hoe snel en hoe volledig een misdadige politieke filosofie een gehele natie in zijn greep kan krijgen.  En in het verlengde daarvan: hoe vanzelfsprekend herhaald verbaal geweld op den duur over gaat in fysiek geweld. Altijd. Deze dubbele les moeten wij, Nederlanders en Europeanen, ons ter harte nemen, evenzeer als Israeli’s en Amerikanen, elke dag weer, opdat het ons niet nog eens overkomt.

Het tweede antwoord waarom wij moeten blijven herdenken ligt in het feit dat het specifieke waansysteem dat aan de basis lag van de vernietigingsoorlog tegen de Joden nog steeds bestaat en weer meer en meer volgelingen krijgt: dit waansysteem, de Jodenhaat, is diep verankerd in het Europese onderbewustzijn. In mijn jeugd, de jeugd van de babyboom generatie, in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog, leek het oude antisemitisme getemd. Bij velen die zelf vreselijke dingen hadden meegemaakt heerste er een voorzichtig optimisme maar ik herinner me de woorden van een oude oom dat iets dat 2000 jaar in dit werelddeel had geheerst niet zomaar zou verdwijnen. En inderdaad is de veelkoppige draak van het antisemitisme weer geheel terug in onze westerse realiteit. Jodenhaat kent vele vormen: De klassieke, christelijk- geïnspireerde beschuldiging van godsmoord, de aantijgingen van uitbuiting en zelfverrijking, de verdenking van zucht naar wereldheerschappij en de betichting van onze raciale minderwaardigheid. Kwaadaardige drakenkoppen die nog steeds allemaal naast elkaar bestaan.

En er zijn níeuwe vormen van Jodenhaat: In de eerste plaats het antizionisme. Velen aarzelen: men mag toch wel kritiek hebben op  de regering van Israël? Jazeker mag dat; kritiek is de kunstmest van de democratie. Kritiek op de Nederlandse politiek bijvoorbeeld is dagelijkse kost. Maar nog nooit heb ik iemand de conclusie horen trekken dat daarom de staat der Nederlanden maar moet verdwijnen. Het antizionisme daarentegen ijvert er wel degelijk voor om het Joodse volk zijn eigen staat te ontnemen, een staat die letterlijk van levensbelang is voor het voortbestaan van het Joodse volk. Het antizionisme is niet meer dan een doorzichtige list, om door een andere naam aan te nemen te ontkomen aan de beschuldiging van discriminatie en antisemitisme. Maar het is gewoon onversneden, eenduidige Jodenhaat.

Relatief nieuw in onze streken is de Islamistische Jodenhaat. Velen in de Joodse gemeenschap zijn intensief betrokken bij de dialoog met Islamitische medeburgers en we ontmoeten daarin waardevolle en goedwillende gesprekspartners. Partners om een maatschappij van etnische en religieuze gelijkwaardigheid en onderling respect mee op te bouwen. Juist daardoor valt het ons soms moeilijk om de realiteit van de Islamistische Jodenhaat te berde te brengen.

Wie echter een blik slaat op het massale en kwaadaardige antisemitisme in de Arabische pers dat gericht is tegen al Yahud, de Joden, ziet een haat die niet onderdoet voor wat de media in het Derde Rijk vertoonden en waaraan alle redelijkheid ondergeschikt gemaakt wordt. Getuige het absurde besluit van UNESCO om de resten van onze tweede tempel  niet langer als Joods te bestempelen. Net als met de holocaustontkenning  worden hier pogingen gedaan om het Joodse volk te beroven van zijn geschiedenis. Via satellieten, social media en extremistische predikers sijpelt het gif, veelal onopgemerkt door de westerse media, door naar West-Europa waar het een vruchtbare bodem vindt onder jongeren van Noord-Afrikaanse en Midden-Oosterse origine. In het kielzog van die stroom van Jodenhaat laaien ook homo- en vrouwenhaat op, en een intense weerzin tegen onze westerse cultuur. Wij in het westen hebben daar nog steeds geen tegengif tegen gevonden. Integendeel, tot in de hoogste bestuursregionen laten wij het vaak maar gebeuren, deels uit onmacht, deels uit onverschilligheid, deels uit cultuurrelativisme.

Het duidelijkst is dat in het onderwijs waar bij veel leraren handelingsverlegenheid bestaat. Dat houdt in dat de leraar maar liever niet begint over de Holocaust en aanverwante onderwerpen doordat een deel van de leerlingen daar absoluut niets over wil horen. Een Joods meisje dat bij haar rector kwam klagen over hevige pesterijen kreeg alleen het advies voortaan haar kettinkje met de Davidsster maar niet meer te dragen. Uitingen van Jodenhaat worden op veel scholen genegeerd en met de mantel der liefde bedekt, uit angst om een veel grotere groep leerlingen tegen de haren in te strijken.

De overheid doet veel voor de Joodse gemeenschap op het gebied van veiligheid en bescherming. Wij worden op dat gebied werkelijk gehoord door onze nationale bestuurders. Maar op het gebied van onderwijs, educatie en informatie faalt de overheid. In Nederland en in de EU.

Laten onze bestuurders niet vergeten dat antisemitisme nooit alleen komt maar altijd in zijn kielzog andere vormen van discriminatie en racisme meeneemt. Wat wij nodig hebben, broodnodig, is nationaal en supranationaal een wérkelijke bewustwording van dit probleem, in al zijn complexiteit. Een werkelijke bewustwording die niet alleen maar politiek correct met de mond wordt beleden, terwijl in werkelijkheid effectieve actie uitblijft. Nodig is ontwikkeling van een doortimmerde strategie om dit eeuwenoude monster te lijf te gaan. De EU, en Nederland in de EU kunnen daarin een grote en beslissende rol spelen. U en ik  blijven herdenken, totdat de draak is verslagen, tot ál zijn koppen tandeloos zijn gemaakt.

Adon– oz leamo jiten, adon– jewarech et amo beshalom

Moge God ons kracht geven en moge God ons zegenen met vrede.

Ik dank u voor uw aandacht.

Reactie CJO op misbruik Uilenburger sjoel voor de alternatieve kristallnachtherdenking

Het Centraal Joods Overleg heeft met afkeer kennis genomen van de alternatieve Kristallnachtherdenking die op 9 november gepland staat in de Uilenburgersjoel.

Het CJO organiseert al jaren de officiële Kristallnachtherdenking om de verschrikkingen te herdenken die op 9 november 1938 in Nazi-Duitsland plaatsvonden. Hierbij werden 92 Joden vermoord, 267 synagogen in brand gestoken en circa 7500 winkels verwoest. Deze explosie van antisemitisch geweld vormde de inleiding op de volledige uitsluiting, vervolging en tenslotte  vernietiging van miljoenen Europese Joden.

Waar bij de herdenking van het CJO deze weerzinwekkende opmaat naar de Holocaust centraal staat, lijkt de alternatieve herdenking eerder een gelegenheid voor het uiten van antizionistische en antisemitische sentimenten.

Ter illustratie trok vorig jaar Haneen Zoabi, nota bene een Israëlisch parlementslid, van leer tegen de staat Israël en vergeleek de situatie in Israël met die van nazi-Duitsland. Uitingen die volgens de werkdefinitie van de Europese Unie onmiskenbaar als antisemitisch bestempeld dienen te worden.

Dat dergelijke beschuldigingen nota bene geuit worden bij een Kristallnachtherdenking maakt dit nog stuitender.

De Uilenburgersjoel was ooit de gebedsplaats van een deel van de bewoners van de Jodenbuurt. Na de Tweede Wereldoorlog werd pas in 1995 het gebouw weer in gebruik genomen, onder meer als sjoel. Het is tekenend voor de Platform-organisatie dat zij deze locatie kiest en zelfs niet schroomt om met juridische stappen de wens van de Uilenburgersjoel  te dwarsbomen om de herdenking elders plaats te laten vinden. Dat er op geen enkele manier rekening wordt gehouden met  de Joodse gevoeligheden ten aanzien van een antizionistische en anti-Joodse manifestatie op deze historisch beladen plaats, kenmerkt het karakter van deze alternatieve Kristallnachtherdenkers. Dat juist voor deze plek is gekozen kunnen wij dan ook niet anders zien dan betreurenswaardig, stuitend en provocatief.