Speech voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Khadija Arib – Nationale Kristallnachtherdenking 2017

 Herdenking Kristallnacht

Toespraak door de Voorzitter van de Tweede Kamer, Khadija Arib

Amsterdam, 9 november 2017

 

Soms, als het gaat onweren, zie je eerst een lichtflits.

Dan duurt het nog een flinke tijd voordat er een donder klinkt.

Maar de tijd tussen flits en aanrollende donder wordt korter, en korter en nog korter.

Tot ze vrijwel samenvallen.

Dan is het gevaar voor blikseminslag het grootst.

In het Duitsland van de jaren dertig, nadat Hitler aan de macht was gekomen, werd de tijd tussen bliksemflits en donder steeds korter.

Joden werden zich steeds bewuster van het onheil dat hen te wachten stond.

De voorbode van de Sjoah was soms sluimerend aanwezig.

In pesterijen door de bevolking, die steeds meer bij het gewone leven gingen horen.

In diverse kleine maatregelen die Joden steeds verder het openbare leven uitduwden.

En in grote, indringende gebeurtenissen.

De razzia’s, als gevolg van de Rijksdagbrand.

De invoering van de Neurenberger wetten, die Joden hun burgerrechten ontnamen.

En de Rijkskristallnacht, die wij vanavond herdenken. Wellicht de grootste en best georganiseerde pogrom die Joden wereldwijd ooit getroffen heeft.

Het is de eerste keer in vele jaren dat Eberhard van der Laan er niet bij is.

Zeker op dagen als vandaag missen we hem enorm.

Hij was altijd betrokken.

Niet alleen bij het hier en nu, maar ook bij het herdenken van belangrijke momenten in onze geschiedenis.

In 2011 zei hij in zijn toespraak – hier, op deze plek – dat het hem opvalt, met hoeveel detail de slachtoffers zich de Kristallnacht herinneren.

Na decennia weten ze nog precies waar ze waren, hoe het rook, wat ze deden en wat er werd gezegd.

Dat geldt ook voor Ruth Wallage-Binheim uit Hannover, die regelmatig over haar jeugdherinneringen vertelt op scholen en in herinneringscentra.

Als kind was zij getuige van die verschrikkelijke nacht.

Op de ochtend van 10 november 1938 liepen Ruth en haar zusje Hannah naar school.

Maar hun tante, die ze tegenkwamen, zei: ‘ga snel terug naar huis, want de synagoge staat in brand.’

Voor de winkel van haar vader, die een manufacturenzaak had, stonden een paar mannen.

Ze zeiden: ‘bij de Jood Binheim zijn we nog niet geweest.’

Eén van hen blies op een fluitje en er kwam een overvalwagen met nazi’s aan, die de winkel kort en klein sloegen.

Daarna deden ze er hun behoefte.

Ruth en haar zus werden gesommeerd de rotzooi op te ruimen.

Na die nacht besloten haar ouders om Ruth, haar zusje en broer op de trein naar Nederland te zetten.

In totaal werden er na de Kristallnacht 2000 kinderen als vluchtelingen in Nederland opgenomen; 1300 daarvan overleefden de oorlog niet.

Ruth uiteindelijk gelukkig wel.

Ze werd ondergebracht in een kinderkolonie in Bergen aan Zee, kwam daarna bij een tante terecht, ging werken in de Joodse crèche in Amsterdam – hier aan de overkant – en werd na verraad naar Westerbork gedeporteerd.

Ze overleefde vier kampen en kan haar verhaal tot aan vandaag navertellen.

Ik ben de afgelopen jaren vaak bij deze herdenking geweest.

Vooral deze verhalen maken indruk op mij.

Omdat ze het leed van miljoenen – door de ogen van één mens – zo dichtbij brengen.

Het onvoorstelbare voorstelbaar maken.

En omdat ze steeds opnieuw, ook bij mij, vragen oproepen:

Hoe heeft dit kúnnen gebeuren?

Wat kunnen we ervan leren?

Hoe kunnen we ook vandaag en morgen die bliksemschichten ontdekken, die ons kunnen wijzen op naderend onweer?

De Kristallnacht is een gebeurtenis waarin beestachtig geweld van de ene groep tegen een andere groep mensen tot een uitbarsting kwam.

Maar het was geen spontane uitbarsting van het volk, zoals de nazi’s de wereld wilden laten geloven.

Het werd in scène gezet door een regime dat verdeeldheid tussen mensen zaaide.

Dat aanzette tot haat en een groep mensen stelselmatig buitensloot.

Pestte, vernederde, ontmenselijkte.

Met de geplande vernietiging als eindstation.

Een regime dat op kousenvoeten de toen nog jonge Duitse democratie had binnen weten te wandelen.

Om haar vervolgens met ijzeren hand de nek om te draaien.

Dat mogen we nooit vergeten.

En dat mogen we nooit meer laten gebeuren.

Ook hier in Nederland, ook vandaag, moeten we strijden voor de waarden die horen bij onze democratie.

Vrijheid van religie en meningsuiting, een vrije pers.

Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, homo en hetero.

Een onafhankelijke rechtspraak.

We mogen níet verdraagzaam zijn voor onverdraagzaamheid.

Democratie draait niet alleen om de stem van de meerderheid, maar ook om de bescherming van minderheden.

Respect hebben voor de ander, en voor zijn anders-zijn.

Spinoza heeft eens gezegd:

’Het doel van de staat is de vrijheid.

Zij moet ervoor zorgen dat mensen veilig kunnen functioneren en hun rede gebruiken,

en niet met haat, toorn of bedrog strijden,

noch zich door bittere gevoelens jegens elkander laten meeslepen.’

Daar zit een opdracht in die wij ons allemaal ter harte moeten nemen.

Tegenover het wrede, beestachtige geweld van Kristallnacht staat verdraagzaamheid.

Tegenover de bliksemschicht staat de vonk van eenheid.

Want hoe uitgesproken de verschillen tussen mensen ook kunnen zijn, de waarden die we delen en verdraagzaamheid tegenover elkaar vormen de hartslag van onze democratie.

Laten we die lessen trekken uit de herinnering aan 9 november 1938.

En laten we ervoor waken dat dat hart blijft kloppen.

Please follow and like us: