Het CJO heeft zich in een brief tot de fracties in de Tweede Kamer gericht met het oog op het binnenkort, in de loop van juni naar verwachting, te houden debat over een wetswijziging die het mogelijk moet gaan maken het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging digitaal en online te kunnen raadplegen.
Historisch onrecht rechtzetten
Over de afweging tussen openbaarheid en privacy van oorlogsarchieven, zoals het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), is de afgelopen jaren een intensief maatschappelijk en politiek debat ontstaan.
Enkele jaren geleden startte de Nederlandse regering een zorgvuldig proces om het CABR digitaal toegankelijk te maken, met als doel online openbaarheid in januari 2025. Dit traject is nauwgezet doorlopen met betrokkenheid van deskundigen, relevante organisaties en direct betrokkenen. Door het door de overheid ingestelde consortium Oorlog voor de Rechter werd een Ethisch Beraad georganiseerd, waarin onder meer het Centraal Joods Overleg (CJO) vertegenwoordigd was. De ontmoetingen in het Ethisch Beraad maakten duidelijk dat de Tweede Wereldoorlog nog altijd diepe sporen nalaat en geenszins voltooid verleden tijd is.
Sommige nabestaanden van collaborateurs vrezen negatieve reacties en trachten volledige en drempelloze openbaarheid te beperken. Het CJO is daarentegen van mening dat na tachtig jaar volledige en laagdrempelige online openbaarheid van oorlogsarchieven, te beginnen met het CABR, geen verder uitstel verdraagt.
Daarmee wordt een historisch onrecht rechtgezet.
Het papieren CABR is primair geïndexeerd op naam van daders en verdachten en daardoor feitelijk moeilijk toegankelijk voor slachtoffers. Het CABR is echter ook een slachtofferarchief.
Veel Joodse overlevenden en hun nazaten weten weinig of niets over de specifieke omstandigheden waaronder hun familieleden zijn verraden en hun bezittingen zijn geroofd. Velen zoeken vooral naar een sprankje van een uitgewiste familiegeschiedenis. Het is hoog tijd dat deze ongelijkheid wordt hersteld. Dat wordt mogelijk met het online plaatsen van het gedigitaliseerde en ook op slachtoffernaam doorzoekbare archief, dat laagdrempelig kan worden geraadpleegd vanuit de veilige thuissituatie.
Na recent wederom uitgesteld, behandelt uw Kamer binnenkort het wetsvoorstel over de beschikbaarstelling van archiefbescheiden met persoonsgegevens (Kamerstuk 36 889), dat direct raakt aan de digitale openbaarheid van oorlogsarchieven.
Verdere vertraging onacceptabel
Het CJO en vele andere betrokkenen achten verdere vertraging onacceptabel. Het proces rond de openstelling van het CABR is zorgvuldig doorlopen door het ministerie van OCW, het Nationaal Archief en andere betrokken partijen. Het consortium Oorlog voor de Rechter heeft daarbij waardevol werk verricht. De adviezen van het Ethisch Beraad zijn vertaald naar een professionele en zorgvuldige digitale omgeving, inclusief contextinformatie, een helpdesk en mogelijkheden voor bezwaar en correctie.
Inmiddels is een groot deel van het CABR gedigitaliseerd, mede dankzij ongeveer €20 miljoen aan overheidssubsidie. De geplande online openstelling per 1 januari 2025 kon echter geen doorgang vinden na bezwaren van de Autoriteit Persoonsgegevens. Naar aanleiding hiervan heeft de regering een wetsvoorstel ingediend waarmee een grondslag voor de online plaatsing wordt gecreëerd.
Daarbij is rekening gehouden met overweging 158 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), dat extra ruimte biedt voor openbaarheid van oorlogsarchieven. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geoordeeld dat in het wetsvoorstel een zorgvuldige balans is gevonden tussen openbaarheid en privacy.
Uiterlijk per 1 januari 2027
Wij benadrukken dat het CABR zonder verdere vertraging digitaal toegankelijk moet worden, en uiterlijk per 1 januari 2027. Verdere vertraging betekent dat opnieuw kostbare tijd verloren gaat, terwijl veel (hoogbejaarde) eerste, tweede en inmiddels ook derde generatie oorlogsgetroffenen hun familiegeschiedenis nog willen achterhalen. Dit maakt uitstel niet alleen onwenselijk, maar ook onmenselijk.
Brede toegankelijkheid van oorlogsarchieven is bovendien van groot belang voor rechtsgelijkheid, historisch onderzoek, educatie en het tegengaan van toenemend antisemitisme.
Voor het toekomstige debat signaleren wij enkele aandachtspunten die tot onnodige vertraging kunnen leiden:
1. Geen koppeling aan aanvullende besluitvorming
Het vooraf aan de Tweede Kamer ter goedkeuring voorleggen van lagere regelgeving, zoals ministeriële regelingen of AMvB’s, leidt tot onnodige vertraging.
2. Geen volledige controle vooraf op nog levende personen
Een integrale controle vooraf van alle namen is praktisch onuitvoerbaar en daardoor onbetaalbaar. Het CABR omvat ruim 3 kilometer archiefmateriaal en ongeveer 18 miljoen pagina’s met honderdduizenden namen. Bovendien zijn naar verwachting slechts een zeer beperkt aantal hoogbejaarde personen nog in leven. De voorgestelde mogelijkheid van melding en offline halen van de gegevens van deze personen is afdoende.
Individuele verificatie zou digitale openstelling feitelijk onmogelijk maken.
3. Geen verplichte inlog- en registratiesystemen
Het CJO acht elke vorm van identificatie en het vastleggen van zoekgedrag onwenselijk en onnodig. Identificatie vormt een mentale drempel voor oorlogsgetroffenen en kan gebruik ontmoedigen. Vergaande vormen van identificatie, zoals via DigiD, creëren bovendien praktische barrières voor gebruikers buiten de EU, zoals Nederlandse Joden in Israël en de Verenigde Staten.
Daarnaast brengt verplichte identificatie nieuwe privacy- en beveiligingsrisico’s met zich mee. De maatregel is ook niet effectief: voor de beoordeling van vermeend misbruik (zoals chantage of laster) biedt het rechtssysteem al voldoende waarborgen, waarbij de herkomst van de informatie niet doorslaggevend is.
Een door de overheid opgelegde inlog- en registratieplicht als preventieve maatregel is daarom overbodig en ongepast. Hoewel er begrip is voor het leed van nazaten van verdachten van collaboratie, is ruim 80 jaar na de Tweede Wereldoorlog de vrees voor negatieve gevolgen voor huidige personen niet gerechtvaardigd. Het uitblijven van incidenten bij de huidige inzage op locatie bevestigt dit beeld.
Een inlogverplichting biedt daarmee slechts schijnzekerheid voor een nauwelijks bestaand probleem en is disproportioneel.
Na jaren van zorgvuldige voorbereiding is het moment gekomen om tot daadwerkelijke openbaarheid over te gaan. Verdere vertraging treft in de eerste plaats de slachtoffers en hun nabestaanden.
Wij doen daarom een dringend beroep op uw Kamer om het proces niet opnieuw te vertragen en de digitale openstelling van het CABR voortvarend mogelijk te maken.