Dit weekend kozen Nederlandse burgemeesters en wethouders er in hun officiële functie voor om een eenzijdig en historisch betwist narratief over het Midden-Oosten te omarmen en dat de Nederlandse publieke ruimte binnen te dragen. Bestuurders die ook voor Joden in Nederland zouden moeten staan. Anti-Israëlische narratieven hebben een directe en aantoonbare impact op de veiligheid en het gevoel van thuishoren van Joden in Nederland. Daarom spreken wij ons als koepel nu uit namens Joods Nederland.
Statement
CJO-voorzitter Chanan Hertzberger maakt zich zorgen. “Antisemitische misdrijven rijzen de pan uit. In Nederland, maar ook elders in de Joodse diaspora zien wij deze trend. Tegelijkertijd neemt de anti-Israëlhouding in media, in het publieke debat en bij politici toe.”
Hij benadrukt dat kritiek op het beleid van de Israëlische regering legitiem is in een vrije samenleving. “Maar het is niet de taak van een lokale bestuurder om een historisch conflict uit een ver land de eigen stad binnen te dragen. En al helemaal niet om dat conflict terug te brengen tot één verhaal, van één kant, en dat verhaal vervolgens te verbinden aan het heden.”
Voor Hertzberger staat er meer op het spel dan een politieke discussie. “Er is maar één Joodse staat. Wie die met een dubbele standaard bejegent, geeft antisemitisme zuurstof.”
Hij wijst op de breedte van de gemeenschap die het CJO vertegenwoordigt. “Wij spreken namens families waarvan de wortels al honderden jaren liggen in Nederland, namens Joden die na 1948 vluchtten uit Irak, Egypte en andere Arabische landen, en namens Israëlische Nederlanders die hier hun leven hebben opgebouwd. Ons domein is Joods leven in Nederland: de gemeenschap, het welzijn, de veiligheid en het gevoel hier thuis te horen.”
Normaal gesproken mengt het CJO zich niet in het Israëlisch-Palestijnse conflict. “Maar dit gaan wij niet negeren,” zegt Hertzberger. “Want dit treft onze achterban, mensen wier leed door deze bestuurders dit weekend geheel onbenoemd bleef.”
De Nakba-herdenkingen
In Utrecht legde burgemeester Sharon Dijksma, samen met wethouder Linda Voortman, namens het voltallige college van B&W een krans bij de Nakba-herdenking op het Domplein, voor een “Free Palestine”-spandoek, bij het monument dat is opgericht ter nagedachtenis aan het Utrechtse verzet tegen de nazi-bezetting. De bijeenkomst werd mede georganiseerd door PGNL, een organisatie opgericht door Amin Abou Rashed, die momenteel terechtstaat wegens verdenking van het doorsluizen van miljoenen euro’s naar Hamas en op een Amerikaanse terreurlijst staat. De AIVD heeft vastgesteld dat er binnen pro-Palestijnse netwerken in Nederland cellen van Hamas actief zijn die onrust beogen te zaaien.
In Amsterdam was locoburgemeester Zita Pels met ambtsketen aanwezig bij de Nakba-herdenking in de Dominicuskerk. De herdenking werd georganiseerd door onder anderen The Rights Forum, het Nederlands Palestina Komitee en Kairos-Sabeel. Onder de sprekers bevond zich Omar Barghouti, medeoprichter van de Boycot, Divestment & Sanctions-beweging (BDS). Na afloop marcheerde het publiek naar de Dam, waar BDS Nederland het woord voerde.
Halsema en Marcouch op sociale media
Burgemeester Halsema plaatste op Instagram een verklaring waarin zij schreef dat Palestijnen “bedreigd worden door aanhoudend geweld en de dood door het Israëlische leger” en sloot af met: “Voor alle Palestijnse Amsterdammers: moge er gerechtigheid, erkenning en vrede komen.”
Burgemeester Marcouch van Arnhem schreef op X: “Vandaag herdenken Palestijnen de Nakba: verlies, ontheemding en generaties pijn. Terwijl Gaza en andere gebieden opnieuw worden verwoest, mogen wereldleiders niet wegkijken. Dwing vrede en recht af. Stop de Israëlische agressie. Bescherm burgers en menselijkheid.”
De Nakba gaat over 1948. Maar Halsema en Marcouch gebruikten de herdenking om hun oordeel te vellen over de oorlog in Gaza vandaag, begonnen na de terreuraanval van Hamas op 7 oktober 2023. De lijn die zij trekken is helder: het ontstaan van de enige Joodse staat ter wereld draagt schuld aan wat er nu gebeurt. Die politieke stellingname past niet bij hun ambt.
Een principiële vraag aan het Utrechtse college
Het college van B&W van Utrecht legde een krans voor een “Free Palestine”-spandoek. Wij vragen het college om antwoord op een vraag die zich daarmee onvermijdelijk opdringt: wat verstaat het college onder “Free Palestine”? Hoe leest het college die slogan? Wij vragen het college deze vraag publiek te beantwoorden.
Het CJO erkent dat 1948 voor velen een jaar van leed was, aan meer dan één kant. Wat er 78 jaar geleden in het voormalige Britse Mandaatgebied gebeurde na het VN-verdelingsplan, de oprichting van de Joodse staat en de onmiddellijke verwerping daarvan door de omringende Arabische landen die de jonge staat vervolgens aanvielen, leidde tot vluchtelingenstromen aan twee kanten. Meer dan 850.000 Joden werden in de jaren daarna verdreven uit Irak, Egypte, Jemen, Libië, Marokko, Tunesië, Syrië en Algerije. Sommigen van hen en hun nakomelingen wonen vandaag in Amsterdam, Utrecht en Arnhem.
Maar waarom zouden burgemeesters en wethouders überhaupt de Nakba herdenken? Nederlandse bestuurders herdenken niet de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling van 1923. Zij herdenken niet de twintig miljoen vluchtelingen die de deling van India en Pakistan in 1947 voortbracht. Zij herdenken niet de honderdduizenden Hongaren die in 1956 na de Sovjetinvasie naar het Westen vluchtten, noch de vele Tsjechen die in 1968 hetzelfde lot ondergingen nadat Sovjet-tanks de Praagse Lente neersloegen. De selectieve focus op één kant van één specifiek conflict, rond het enige land ter wereld met een Joodse signatuur, is geen uiting van deugdzaamheid. In een periode waarin antisemitisme in Nederland aantoonbaar toeneemt en Joden onveilig zijn op straat, op scholen en in de openbare ruimte, zal de eenzijdige empathie van bestuurders ten nadele van de Joodse staat de veiligheid van Joods Nederland niet verhogen.
Onze oproep
Is het de taak van lokale bestuurders om buitenlandse politieke conflicten te importeren in de eigen stad? Het CJO meent resoluut van niet. Wij roepen de betrokken bestuurders dan ook op om zich te onthouden van eenzijdige politieke stellingnames over het Arabisch-Israëlische conflict en zich te richten op waarvoor zij zijn aangesteld: het dienen van alle inwoners van hun gemeente, zonder onderscheid.