Een goed en zoet jaar: het CJO viert Rosj Hasjana

door info@cjo.nl | sep 11, 2026 | Nieuws | 0 reacties

Op donderdag 10 september 2026 organiseerde het Centraal Joods Overleg zijn jaarlijkse, drukbezochte Rosj Hasjana-bijeenkomst. Aanwezigen uit de Joodse gemeenschap, hun vrienden uit o.a. christelijke en hindoestaanse hoek, het maatschappelijk middenveld, de politiek en de diplomatie luisterden naar toespraken van CJO-voorzitter Chanan Hertzberger en voormalig Tweede Kamerlid Alexander Hammelburg. De toespraak van Hammelburg delen wij hieronder integraal.

Het Centraal Joods Overleg wenst u een goed en zoet jaar toe: sjana tova oe'metoeka!

Speech Alexander Hammelburg 

Nieuwspoort, Tweede Kamer, 10 september 2026

Geachte Kamerleden, bewindspersonen, vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, vrienden,

Wij zijn hier bijeengekomen om Rosj Hasjana te vieren. Het Joodse Nieuwjaar. Een moment waarop wij elkaar een goed en zoet jaar wensen.

Dat is een wens van hoop.

Hoop dat het komende jaar beter zal zijn dan het vorige. Hoop dat mensen die tegenover elkaar zijn komen te staan, elkaar weer zullen vinden. Hoop dat vrede mogelijk blijft, ook wanneer de werkelijkheid ons alle reden lijkt te geven om daaraan te twijfelen.

Het Joodse Nieuwjaar is meer dan een feestelijk begin. Het is een moment van introspectie. Een uitnodiging om onszelf eerlijk aan te kijken. Om niet alleen te vragen wat wij van het komende jaar verwachten, maar vooral wat het komende jaar van óns vraagt. Wat hadden wij anders kunnen doen? Waar hebben wij weggekeken? Wanneer hebben wij gezwegen terwijl wij hadden moeten spreken? Waar hebben onze woorden mensen dichter bij elkaar gebracht, en waar hebben zij de afstand juist vergroot?

Rosj Hasjana biedt ons daarmee iets kostbaars: de mogelijkheid van een nieuw begin. Niet omdat alles wat achter ons ligt daarmee verdwijnt. Niet vanuit de gedachte dat het allemaal vanzelf wel goed zal komen. Dat is optimisme. Maar omdat ieder mens, iedere gemeenschap en iedere samenleving opnieuw kan kiezen hoe zij verdergaat.

En die keuze is dringend.

Voor veel Joodse Nederlanders is het leven de afgelopen jaren onveiliger en onaangenamer geworden. Zeker sinds terreur en oorlogenin het Midden-Oosten de afgelopen jaren weer nieuwe dimensieshebben gekregen. Wij kunnen en mogen niet ontkennen dat binnenland en buitenland met elkaar verbonden zijn. Conflicten houden niet op bij landsgrenzen. Beelden, woorden en beschuldigingen reizen sneller dan ooit. Ongecontroleerd, vaak ontdaan van enige mate van complexiteit die in de realiteit wel degelijk bestaat. Polarisatie in het buitenland en polarisatie in onze eigen straten versterken elkaar.

Voor Joodse Nederlanders betekent dit steeds vaker dat wij worden aangesproken op gebeurtenissen elders in de wereld. Dat wij op een verjaardag geacht worden kleur te bekennen. Dat een politiek conflict plotseling een persoonlijke loyaliteitstest wordt. En daar blijft het niet bij.

Mensen merken dat kennissen en vrienden hen mijden. Kinderen worden op school gepest, geduwd of bespuugd. Joodse Nederlanders ervaren dat hun naam, achtergrond of identiteit deuren kan sluiten. Deuren van woningen worden beklad of bespuugd. Mensen vragen zich af of zij hun keppel, davidster of andere zichtbare tekenen van hun identiteit nog veilig kunnen dragen. En misschien nog wel het ergste, de collectieve stille uitsluiting. Die je voelt, maar niet bewijzen kunt.

Overdrijf ik? Helaas niet.

Voor velen van ons klinkt bovendien het verleden nog na. Niet als een abstract hoofdstuk uit een geschiedenisboek, maar in familieverhalen, in stiltes aan tafel, in namen van mensen die ontbreken. Ook het recentere verleden kent achtervolging, mishandeling, aanslagen, uitsluiting en publieke verwijten. Dat is hard. Dat is beangstigend. Voor Joodse Nederlanders, maar ook voor anderen.

Discriminatie treft nooit alleen onszelf.De mechanismen waarmee mensen worden gereduceerd tot een afkomst, een geloof, een huidskleur, een geaardheid of een veronderstelde groepsmening, zijn velen in Nederland maar al te bekend.

En onder die velen, doen ook velen van hen weer mee aan hetzelfde fenomeen. De hardnekkigheid ervan is stuitend. De snelheid waarmee de houding tegenover een hele bevolkingsgroep kan omslaan, jaagt angst aan. Wat vandaag Joden overkomt, kan morgen een andere groep overkomen. En wat een andere groep vandaag wordt aangedaan, mag een Joodse gemeenschap evenmin onverschillig laten.

Uitsluiting begint zelden met het meest extreme gebaar. Zij begint met taal. Met een verdachtmaking die onweersproken blijft. Met een grap die mensen buiten de kring plaatst. Met de door ons welbekende stereotyperingen en dehumanisering.

Ja, woorden doen ertoe.

En de woorden van publieke leiders des temeer.

Wat hier in dit huis wordt gezegd, blijft niet binnen deze muren. Het vindt zijn weg naar kranten, talkshows, sociale media, klaslokalen, werkvloeren, huiskamers en onze straten. Het kan mensen uitnodigen om beter te luisteren. Het kan ook bevestigen dat de ander niet langer een medeburger is, maar een tegenstander. Een vertegenwoordiger van een groep. Iemand tegenover wie wantrouwen gerechtvaardigd zou zijn.In onze steden en dorpen komen mensen daardoor steeds vaker lijnrecht tegenover elkaar te staan. Een stevige politieke discussie aan de eettafel kan gezond en zelfs plezierig zijn. Als een echte Hammelburg kan ik u vertellen dat dit bij ons thuis eerder de regel dan de uitzondering is.

Wij moeten beseffen dat de grote gedachtenstromingen, dogma’s en overtuigingen van deze tijd grensoverschrijdend zijn. Zij blijven niet beperkt tot een debat. Zij kunnen leiden tot intimidatie, uitsluiting en geweld. En ondertussen ervaren mensen vanuit Den Haag soms stilte of onverschilligheid. Vaker nog zien zij publieke leiders, van welke politieke richting dan ook, olie op het vuur gooien. Dat gebeurt soms bewust. Ongetwijfeld gebeurt het meestal onder de druk van het moment. Groot nieuws vraagt om een snelle reactie. Camera's draaien. Sociale media wachten. Achterbannen verwachten duidelijke taal. Dan is het verleidelijk om aansluiting te zoeken bij bestaande verhaallijnen, bij de boosheid of angst die al in de samenleving aanwezig is. Dat is een begrijpelijke politieke reflex. Maar dit gaat niet over belastingen of sociale zekerheid. Dit gaat over conflict, haat en uitsluiting. Over de veiligheid en waardigheid van mensen. En soms uiteindelijk over leven of dood.

Juist daarom wil ik een verhaal met u delen over Bruriah, een van de grote en opvallende stemmen uit de Talmoedische traditie. Haar man, Rabbi Meïr, werd voortdurend getergd door mensen uit zijn omgeving. Zij maakten hem het leven zuur. Op een dag was hij het zat. Hij bad dat zij zouden verdwijnen. Dat er een einde zou komen aan het kwaad dat zij hem aandeden. Bruriah hoorde hem en vroeg hem de tekst waarop hij zich beriep nog eens goed te lezen. Er staat niet dat de zondaars moeten verdwijnen, zo hield zij hem voor. Er staat dat de zonden moeten verdwijnen. Richt je niet op de vernietiging van mensen, maar op het verdwijnen van het kwaad. Bid niet dat mensen verdwijnen. Bid dat zij veranderen. Dat is geen eenvoudige oproep tot vriendelijkheid. Het is een radicale opdracht om anders te kijken en anders te handelen.Bruriah vraagt ons om onderscheid te maken tussen mensen en het kwaad dat mensen kunnen doen. Om niet uitsluitend te reageren op degene die tegenover ons staat, maar verantwoordelijkheid te nemen voor de omstandigheden waarin angst, vijandschap en haat kunnen groeien.

En precies daarin ligt, volgens mij, een opdracht aan publieke leiders. Aan u allen. Het is altijd gemakkelijker om mensen te veroordelen dan om de oorzaken van verdeeldheid weg te nemen. Gemakkelijker om een tegenstander aan te wijzen dan om een brug te bouwen. Gemakkelijker om verontwaardiging te versterken dan haar te begrenzen. Gemakkelijker om op de golven van de tijd te surfen dan gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de richting waarin de samenleving vaart.

Maar wie alleen de golven volgt, beschrijft hooguit de tijd. Wie verantwoordelijkheid neemt voor de richting van de samenleving, dietoont leiderschap.

Dat vraagt van u, van links tot rechts, om de verleiding te weerstaan iedere maatschappelijke tegenstelling verder aan te scherpen daar waar het bevolkingsgroepen raakt of de scheidslijnen van een conflict. Om niet bij elk conflict de scherpe randjes op te zoeken waarmee de eigen achterban kan worden bediend. Om soms bewust níét de meest deelbare, meest uitgesproken of meest polariserende zin uit te spreken.Of die ongeoorloofde ahistorische vergelijkingen te maken die vele harten angst inboezemen en waarvoor het overigens nooit te laat is om vergiffenis te vragen. 

Juist daar waar groepen mensen collectief kunnen lijden onder het spel der politiek, vraagt vrede en veiligheid om uw uitgestoken hand. Niet als teken van zwakte, maar als daad van leiderschap. Niet omdat meningsverschillen moeten verdwijnen. Niet omdat kritiek op elkaar of op regeringen, ideologieën, religies of oorlogshandelingen onmogelijk zou zijn. Een vrije democratie leeft van debat, tegenspraak en verschil. Maar een democratie kan alleen standhouden wanneer wij de menselijke waardigheid van degene met wie wij van mening verschillen, blijven verdedigen.

De les van Bruriah is daarom niet dat wij conflicten moeten ontkennen. Haar les is dat wij dieper moeten kijken. Niet: welke groep kan ik aanwijzen? Maar: welk kwaad moet ik helpen terugdringen? Niet: wie kan ik verslaan? Maar: wat is nodig om te voorkomen dat mensen elkaar als vijanden gaan beschouwen? En als ze dat wel doen, hoe kan ik dan bijdragen aan een toekomst waar men de arm weer om elkaars schouders slaat?

Wie vrede en veiligheid wil, hier en in andere delen van de wereld, moet dus anders leren kijken en handelen. En zelfs dat is niet genoeg. Wie alleen de hand uitsteekt naar ‘de zondaar’ en de zonden bij de ander zoekt, kan nog altijd blijven staan op de veilige grond van het eigen gelijk. In tijden van polarisatie vraagt vrede om een stap voorbij die gemeenplaats: de bereidheid om ook zelf iets op te geven, juist wanneer dat pijn doet. Vrede sluit je immers met die ander. Daarvoor moet u soms iets inleveren. Bent u bereid voor vrede misschien zelfs een zetel in de peilingen te verliezen? En bent u bereid dat samen met de ander te doen, zodat vrede geen politiek verlies voor de één en winst voor de ander wordt, maar een gezamenlijk gedragen keuze voor het grotere goed?

En nu hoor ik u denken: je weet heel goed hoe dit werkt. En mijn antwoord zou dan zijn: Dat ziet u goed. Vrede en veiligheid komen meestal tot stand door dappere leiders die bereid zijn een deel van wat hen het meest dierbaar is, op te geven. Het alternatief is onvrede, eindeloos conflict of totale vernietiging. 

In de Joodse traditie klinkt de opdracht luidt en duidelijk: u'vachartaba'chayim; kies het leven. Dat klinkt ernstig. En dat is het ook.

Bruriah leerde ons dat wij niet moeten verlangen naar het verdwijnen van mensen, maar naar het verdwijnen van wat mensen van elkaar vervreemdt. Laat dat onze opdracht zijn in het komende jaar. Dat wij niet bijdragen aan meer verwijdering, maar aan meer ontmoeting. Niet aan meer wantrouwen, maar aan meer vertrouwen. Laten wij niet meer verdeeldheid zaaien, ons eigen gelijkversterken met het verspreiden van onze eigen polariserende analyses van dewerkelijkheid. En laat u vooral zien bereid te zijn daarvoor ook verlies te accepteren.

Ik hoop u het komende jaar te horen over concrete stappen naar verbroedering en vrede. Dames en heren, hoop is geen voorspelling. Hoop is een keuze. Een keuze die pas werkelijk betekenis krijgt wanneer zij zichtbaar wordt in ons handelen. 

Hoop is een keuze!

Moge dit nieuwe jaar het jaar zijn waarin wij die keuze, u en ik, iedereen, iedere dag opnieuw, met overtuiging maken.

Shana tova u’metuka.